Juridisch

Hoe ver reikt het arendsoog van de fiscus?

28 februari 2019 | Juridisch

De strijd tegen fiscale fraude en belastingontwijking heeft de laatste jaren ertoe geleid dat de transparantie op het vermogen een stuk groter is geworden. Schandalen zoals de Panama Papers, LuxLeaks en Paradise Papers wekten maatschappelijke verontwaardiging en brachten een groot draagvlak voor meer fiscale transparantie tot stand. Er ontstond een algemene consensus dat er op Europees én internationaal niveau meer samenwerking nodig was ter bevordering van een rechtvaardigere fiscaliteit. Het bankgeheim, sinds jaar en dag een heilig huisje, is zo grotendeels gesneuveld.

Hieronder geven we een (niet-exhaustief) overzicht van de belangrijkste ontwikkelingen die zich internationaal, Europees en nationaal hebben voorgedaan op het vlak van o.a. bijkomende aangifteverplichtingen en toegenomen informatie-uitwisseling, voor natuurlijke en rechtspersonen.

Het bankgeheim smelt langzaam maar zeker weg

Wat de confidentialiteit van het vermogen betreft, is het belangrijk een onderscheid te maken tussen onroerend en roerend vermogen. Voor vastgoed bestaat er in België een kadaster dat alle onroerende goederen op Belgisch grondgebied inventariseert. Voor roerende goederen daarentegen bestaat er alsnog geen vermogenskadaster. In Nederland bijvoorbeeld bestaat dat wel: daar is de fiscale administratie op de hoogte van de stand van het vermogen op rekening. Toch begint de discretie ten aanzien van het roerend vermogen ook in België steeds meer barsten te vertonen. Dit geldt in het bijzonder (maar niet uitsluitend) voor de situaties waarbij buitenlandse rekeningen of constructies betrokken zijn – meer daarover verder in dit artikel. Maar ook op puur nationaal vlak beschikt de fiscus over middelen die hem toelaten een goed zicht op uw vermogen te krijgen.

Zicht op interesten op buitenlandse rekeningen

Sinds jaar en dag hebben bankiers een discretieplicht. In 1980 werd dit zogenaamde bankgeheim ingeschreven in het Belgische Wetboek Inkomstenbelastingen. Hoewel het bankgeheim nooit absoluut was, zijn de situaties waarin het kan doorbroken worden over de jaren heen sterk uitgebreid. Ook het Luxemburgse en zelfs het befaamde Zwitserse bankgeheim bestaat niet meer in de traditionele vorm.

Het startschot voor meer transparantie op internationaal niveau werd gegeven in 2005, toen de Europese Spaarrichtlijn in werking trad. Deze richtlijn verplicht EU-lidstaten om informatie door te geven met betrekking tot interesten die natuurlijke personen in het buitenland ontvangen. Dit was de eerste vorm van georganiseerde en automatische gegevensuitwisseling tussen lidstaten. De Europese Bijstandsrichtlijn zette deze tendens verder: zij voorziet automatische gegevensuitwisseling met betrekking tot bepaalde inkomsten- en vermogenscategorieën. De Bijstandsrichtlijn werd intussen verschillende malen gewijzigd en uitgebreid en regelt vandaag onder meer de uitwisseling van informatie over bankrekeningen in het kader van CRS

Uitbreiding naar andere inkomsten en rekeningsaldo’s

Onder impuls van de FATCA-wetgeving (2010) in de Verenigde Staten werd opnieuw een grote stap gezet op het vlak van financiële transparantie, ditmaal voor buitenlandse rekeningen. Op OESO-niveau (de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling) ontwikkelde men daartoe de Common Reporting Standard (CRS), een standaard voor informatie-uitwisseling over bankrekeningen tussen landen. Deze uitwisseling gebeurde voor de eerste maal in 2017 over inkomstenjaar 2016. De uitgewisselde gegevens betreffen onder meer het saldo van de rekening, de ontvangen roerende inkomsten en de opbrengst uit verkopen van effecten. Sinds de opstart van CRS hebben steeds meer landen zich geëngageerd om hieraan deel te nemen. Intussen gaat het om iets meer dan honderd deelnemende landen. Sinds 2018 wisselen landen zoals Zwitserland, Australië, China en zelfs Panama gegevens uit over bankrekeningen. Het spreekt voor zich dat CRS definitief heeft geleid tot de teloorgang van het bankgeheim op internationaal niveau.

Team juristen en fiscalisten Delen Private Bank

Databank voor rekeningen in binnen- en buitenland

Ook op nationaal vlak zat de wetgever niet stil. In 2011 richtte de Nationale Bank van België een centraal aanspreekpunt op inzake rekeningen en financiële contracten (CAP). Enerzijds werden Belgische financiële instellingen daardoor verplicht om de rekeningnummers van hun klanten door te geven aan het CAP. Anderzijds had dit voor particulieren tot gevolg dat ook zij voor hun buitenlandse rekeningen heel wat informatie moeten doorgeven aan het CAP. Het gaat hier onder meer om de rekeningnummers, het land waar de rekening geopend is en de benaming van de betrokken financiële instelling. Initieel had de oprichting van deze databank tot doel het onderzoek van de fiscus bij banken te vereenvoudigen. Sindsdien is echter zowel het aantal informatiegerechtigden als informatieplichtigen verder uitgebreid, alsook de aard van de gegevens die dienen te worden gemeld. Zo werd in 2016 beslist dat het Openbaar Ministerie, de antiwitwascel, onderzoeksrechters, politierechters en zelfs notarissen inlichtingen kunnen inwinnen bij het CAP, weliswaar bij specifiek en gemotiveerd verzoek. Om doeltreffender te zijn in de strijd tegen fiscale fraude werd in juli 2018 een nieuw wettelijk kader geïntroduceerd. De zogenaamde CAP-wet bepaalt dat voortaan ook verzekeringsondernemingen informatieplichtig worden. Bovendien zal er in de toekomst uitgebreider en meer frequent gerapporteerd moeten worden. Wat momenteel wel blijft, is dat aan het CAP geen informatie wordt gegeven over de tegoeden of inkomsten op de rekening. Op nationaal vlak blijft er dus nog een zekere discretie bestaan.

Buitenlandse constructies en begunstigden in het vizier

De fiscus wilde evenwel ook vat krijgen op het vermogen van belastingplichtigen die hun toevlucht namen tot juridische constructies in het buitenland met een lage belastingdruk – denk aan trusts, offshore vennootschappen en buitenlandse stichtingen.

Kaaimantaks

Voor dergelijke constructies werd met ingang van aanslagjaar 2014 ook een meldplicht ingevoerd. Deze meldplicht vormde op haar beurt de basis voor de introductie van de kaaimantaks die van toepassing is op inkomsten verkregen of toegekend vanaf 1 januari 2015. De kaaimantaks is van oorsprong een doorkijkbelasting die de inkomsten uit juridische constructies belast alsof ze rechtstreeks door de oprichter (of begunstigde) zelf werden behaald. Intussen zijn er heel wat wetswijzigingen doorgevoerd aan deze (overigens zeer complexe) regelgeving om de bestaande loopholes zoveel mogelijk te dichten. De laatste wijziging trad in werking op 1 januari 2018. Zonder in te gaan op de details, is het concrete gevolg dat diverse entiteiten nu voor het eerst mogelijk onder de kaaimantaks vallen. Zo kan onder andere worden geargumenteerd dat de Nederlandse STAK (Stichting Administratiekantoor) in bepaalde gevallen als een juridische constructie gekwalificeerd kan worden, net als alle andere structuren binnen de Europese Economische Ruimte die in hun land niet of aan een lage (lees: minder dan 1%) vennootschapsbelasting onderworpen zijn. Zo zou o.a. de Luxemburgse Soparfi potentieel in het vizier komen. Ook wordt nu duidelijk gesteld dat private Instellingen voor Collectieve Beleggingen (zoals de Luxemburgse SICAV-SIF) onder de kaaimantaks kunnen vallen, in zoverre ze uitsluitend in handen zijn van één persoon of van onderling verbonden personen. De Franse Société Civile Immobilière (SCI) wordt daarentegen niet geviseerd.

"Allerlei schandalen brachten een groot draagvlak voor meer fiscale transparantie tot stand."

Deze regelgevingen hebben belastingplichtigen ertoe aangezet het aanhouden van vermogen in het buitenland te herzien of hun constructies op te doeken, al dan niet in het kader van een fiscale regularisatie. Een dergelijke regularisatie is overigens nog steeds mogelijk, weliswaar aan tarieven die jaarlijks verhogen. Uiteraard zijn dergelijke maatregelen niet in alle gevallen aangewezen en hoeft een grotere transparantie op globaal niveau niet noodzakelijk als iets negatiefs te worden ervaren. Het aanhouden van rekeningen of entiteiten buiten België is en blijft volstrekt legaal en ondanks de verhoogde transparantie kunnen er nog steeds zeer goede redenen bestaan om toch een deel van het vermogen in het buitenland aan te houden.

Aanpassing van de Bijstandsrichtlijn

Naast de kaaimantaks is ook de Bijstandsrichtlijn zeer recent gewijzigd. De wijziging heeft betrekking op de verplichte melding van grensoverschrij­dende constructies. Zowel intermediairs (zoals consultancykantoren, advocaten en financiële instellingen) als de relevante belastingplichtigen kunnen sinds kort de verplichting hebben om fiscale constructies die aan bepaalde kenmerken voldoen te melden aan de fiscus. De omschrijving van de te melden constructies is bewust zeer breed gehouden. De fiscus hoopt hiermee niet langer achter de feiten te moeten aanhollen en sneller te kunnen reageren op fiscale planningsconstructies die voortdurend wijzigen. Het gaat wel louter om grensoverschrijdende constructies.

UBO-register

Voorts heeft de Belgische wetgever in 2017 de invoering van het zogenaamde ‘UBO-register’ voorzien, ter uitvoering van de vierde Europese richtlijn die het witwassen van geld tegen gaat (‘Anti-Money Laundering Directive’ of kortweg AML). Het gaat om een register waarin de identiteit wordt opgenomen van elke natuurlijke persoon die óf eigenaar is van een vennootschap, maatschap, vzw of stichting, óf de controle erover uitoefent. Er bestond reeds een algemene verplichting voor financiële instellingen om haar klanten te kennen, en dus ook de uiteindelijke begunstigden (‘Ultimate Beneficial Owners of UBO’) van dergelijke entiteiten te identificeren. Nu krijgen ook de entiteiten zélf de verplichting om dit te doen door middel van verplichte registratie van hun UBO’s in een centraal register. De officiële deadline om de uiteindelijke begunstigden voor de eerste maal te registreren is in België vastgesteld op 30 september 2019.

Bijkomende wetgevende initiatieven

De hierboven vermelde maatregelen hebben duidelijk als doel om de transparantie van het vermogen te verhogen. Daarnaast werden er de laatste jaren ook maatregelen genomen die niet als doel maar wel tot gevolg hebben dat de fiscus meer zicht krijgt op uw (buitenlandse) rekeningen. Zo werd het toepassingsgebied van de beurstaks met ingang van 1 januari 2017 uitgebreid tot transacties uitgevoerd via buitenlandse tussenpersonen. Concreet betekent dit dat een Belgische inwoner die een rekening heeft in het buitenland zelf verplicht is aangifte van deze taks te doen en ook persoonlijk instaat voor de betaling ervan, tenzij de buitenlandse tussenpersoon deze dienst aanbiedt (zoals bijvoorbeeld Delen Private Bank Luxemburg en Delen Zwitserland dat doen).

"Sommige maatregelen hebben niet als doel maar wel tot gevolg dat de fiscus meer zicht krijgt op uw rekeningen."

Hetzelfde principe geldt voor de taks op effectenrekeningen die op 10 maart 2018 in werking trad. Voor rekeningen bij Belgische tussenpersonen verloopt de aangifte en betaling in principe op anonieme wijze. Voor buitenlandse rekeningen geldt dat het in beginsel de belastingplichtige zelf is die instaat voor de aangifte en betaling, tenzij zijn buitenlandse bank het nodige doet. Het spreekt voor zich dat deze aangifteplichten ertoe kunnen leiden dat de fiscus een perfect zicht krijgt op de vermogens die worden aangehouden in binnen- en/of buitenland.

Conclusie

Er is steeds meer samenwerking tussen staten op internationaal niveau. Niet alleen stappen steeds meer landen in de boot, maar ook de methodes en middelen om te komen tot een doeltreffend fiscaal beleid worden aangescherpt. De aanpak van Delen Private Bank in deze is rechtlijnig en duidelijk: optimalisatie kan ook eerlijk en correct verlopen. Fiscale spitstechnologie waarvoor de overheid achteraf de wegen afsluit, is in een duurzaam perspectief niet aan de orde. Daarom geven wij de voorkeur aan rechtszekere en heldere oplossingen.

 
 
Nederlands
Nederlands Français